
Dit gebeurt mij al te vaak:
als ik mij uit een droom ontwaak
om iets daar niet van te vergeten
vindt ik een leven dat ik niet herken,
niet begrijp of liever niet wil weten
alsof ik daar toch nog een vorm van ben.
Ik loop of zeil door straten, buitenwegen,
zigzag, waaruit behoort te blijken
dat ik voor anderen tracht uit te wijken
maar ik kom niemand, niemand komt mij tegen,
de van holle huizen volle stad
wordt stap voor stap stiller en leger.
in al het nachtzwart van die dromen
kwijnt een grauwgeworden winterlicht.
Zacht gaat een deur achter mij dicht.
ik ben dus thuisgekomen
alsof ik aan dit spookstof toebehoor.
Maar altijd kom jij als een afspraak voor
een die ik steeds verkeerder maak.
Daardoor denk ik droom ik door
droom ik haastig door tot ik ontwaak.
(leo vroman)